Home » Gedichten » Natuur

Natuur onze werkelijke rijkdom

Ik houd van de natuur. Als kind al. De geuren van mos en dennennaalden in het bos. Onkruid en zijn geneeskrachtige eigenschappen. Wist je dat je bijvoorbeeld Paardenbloembladeren heel goed kunt eten? Heel goed voor lever en nieren. Zo is er nog veel meer wat je zo kunt plukken en heel gezond is. Heus, het beland daadwerkelijk met regelmaat op mijn bord.  Ik bewonder het dierenrijk. De eerlijkheid in hun gedrag blijft me boeien. Ik moet je niet...pik met de snavel...wegwezen jij! Doen wij mensen dat? We breien een heel verhaal om de kern heen en hebben dan feitelijk nog steeds niet echt gezegd wat we vinden. Dat komt uiteraard omdat wij ons veel meer bezig houden met de impact van onze daden.  Toch denk ik wel eens dat het een verademing kan zijn om gewoon te zeggen en zelfs te horen dat iemand je een grote trut vind, of wat dan ook. Verhelderend en je weet waar je staat. Sorry mensen, zo zit ik in elkaar vrees ik. In alles zie ik connectie met het eigen zijn. Zie ik er vaak lessen en voorbeelden in. Dat boeit me nu eenmaal. Buiten dit, kom ik helemaal tot rust ergens op een pluk mos midden in het bos. Kan ik uren een vogeltje volgen wat takjes en veertjes naar een nestje draagt of gewoon genieten van een stuk afgeknapte tak dat in mijn ogen een prachtig kunstwerk geworden is. Soms ga ik gewoon even een dagje met mijn camera op pad. Volg ik de weg die mijn voeten gaan en zie ik wel waar ik uitkom. Zo bevrijdend is dat!

 

 


Zij spint…..

In spin
mijn gewin
draden weven
plakkend, klevend
veel belovend
lokkend, zwevend
nog wat lijnen
om te kwijnen
ik zal je vangen
in mijn web

Uit spuit
Nee, mijn lief
je bent mijn buit
geen verlossing
geen vertrek
hier gekomen
nooit meer weg
je bent gebonden
en verweven
met de draden uit mijn web


Afgedankt

ik pluk je
ik schik je
ik geniet van je

ik dank je af
Hup, in de groene bak!

 

 

 

.


Op afstand

 

Oh, wat ben je mooi, zo kleurig, krachtig
Je maakt me werkelijk zo wonderbaarlijk blij
Ik zou je zomaar willen pakken, bij me houden
maar ik weet, dan is het zo gauw weer voorbij
Ik laat je daar, waar ik je stilletjes bewonder
zo blijf je altijd toch een beetje wel van mij


Hoe lief ik jou

Het warme goud streelt je veren
tot diep indigo in nachtelijk zwart
als verblijf je in hoger sferen
een intens goddelijke kracht

 

brutaal imponerend kijken
zwarte kralen met een olijke glans
jouw zinnen kennen geen wijken
grijpen elke toegeworpen kans

 

hoe trots loop jij op vrije wegen
je hart klopt sterk in eeuwig trouw
open en eerlijk dierenleven
neem ik de mens in ogenschouw

 


Spinnig bespeelt ze jou

 

Zij trekt secuur haar bindingsplan
hongerig en passievol met
voorbedachte rade geweven
bestemd voor jou

 

haar web parelt in de nevel
in afwachting van het grote moment
dat jij haar daar ontmoeten zal
niets is haar liever dan jij

 

maar wees gewaarschuwd
er is geen weg terug

 

een trilling haar gewaar
stort zij zich in zware passie
gulzig en onverzadigbaar
in vol ornaat boven op jou


denkende
jij bent van mij...
tot in eeuwigheid

 

verbonden met haar en door haar
geen ontsnapping meer mogelijk

 


 

Het echte goud!

 

Waar goud nog
schittert over zijde
ruist rust over schaduw

 

slechts het besef
als thuisbasis
is genoeg

 

ongrijpbaar
glijdend door vingers
immer strelend
koesterend en delend


 

 

Mijn stille kracht

 

slanke vingers wijzen
steevast naar de hemel
versmolten met zijn pracht

 

magisch oogt zijn
stevig tooi ontbladerd
tot zijn kracht

 

in zijn naaktheid
lief ik hem
in de stilte
van de nacht


Ademloos

Ik zie lichtjes in je ogen
je warme lief-mij-toverblik
zo blij als ik kom binnenlopen
en ja, jij weet ...ik zwicht

 

je zachte lange bruine lokken
kriebelen zachtjes aan mijn been
dwingen mij stilaan te zitten
even aandacht voor jou alleen

 

spin maar grote lieve tijger
ik knuffel je totdat je slaapt
je weet dat ik gewoon niet weiger
mijn hart telkens weer overslaat

 


Zo woest ze stil weer gaat

Ze dreigt rollend torenhoog uit
meedogenloos en gitzwart
plankton siddert in haar huid
het woeste zilte nat

 

groot op haar tenen
trekt ze al haar kracht bijeen
met een boze kop verschenen
buldert ze schuimbekkend heen

 

wild laat ze zich nog horen
tot moe van eindeloos geschreeuw
ze zich in stilte niet zal storen
aan de hebzucht van een sluwe meeuw


Gif in alle wateren

 

Het domme gansje
spetterde
gekscherend
in het water

 

De slimmerik
heel doelbewust
ontberend
stierf wat later


Onder vleugels

 

Mag ik heel even
onder jouw prachtig zwarte veren
mij tegen je warm kloppend lijf
onder je vleugel draperen?

 

Even geborgen
mij beschermd te weten
troostvol geknuffeld
elk gevaar is geweken

 

zo groot als ik ben
in gedachten toch klein
droom ik mij krachtig
geborgen en fijn

.






Schikken niet knakken

 

Schik mij in een vaasje
van links naar rechts
en dan weer terug

 

Ontneem van mij de
slechte blaadjes
en gooi ze weg

 

Maar eer mijn bloesem
al zou de kleur
jouw smaak niet zijn

 

Echtheid kleurt zich
in vele geuren
subtiel en ragfijn


inzicht….

 

Een roos uit Maastricht heeft staan gillen
“Dit is wat de hemel zou willen”
want elke bloem geel
straalt veel te veel
God vroeg om geel te gaan villen

 

Een mooie narcis uit Haarzuilen
stond heel onbeheerst hard te huilen
haar vriend was geplet
heel het bed was ontzet
nu kon ze bij niemand meer schuilen

 

Hyacint blauw van het beven
misgunde de rozen het leven
hij greep een geweer
en ging zwaar tekeer
elke roos dood was zijn streven

 

Lavendel ontzet door de daad
verminkte toen prompt alle zaad
elke bloem onbetwist
zo werd beslist
kwam voortaan geknakt op de aard

 

Een wijze margriet kwam tot inzicht
en heeft zich op liefde gericht
elke bloem nog in knop
daar kuste ze op
de bloem werd weer rechtop belicht


Het waait takken door de bomen

 

Het waait takken door de bomen
ontrukt en meegesleurd
waar bladeren bijeenkomen
geschikt in bont gekleurd

 

hij buldert grimmig door de schoorsteen
verwacht ook geen verweer
het vuur ontwaakt meteen
likkebaardend naar nog meer

 

het waait takken door de bomen
genoegzaam brandend in mijn haard
gezelligheid gekomen
in koud geweld onthaald


Eindeloos leven

 

Het leven lacht in natte tranen
dansend in kille winden
waait over drassig land
waar water en land verbinden

 

Gevangen in stemmen van mens en dier
zacht fluisterend bij een vallend blad
knisperend in opgetogen vertier
op een pas bestoven sneeuwpad

 

Het kraakt met een zucht van
hout op mos
en glipt met een knipoog
van het aardse los


Winterdroom

 

Het grijsgrauwe sfeerloos
mistroostig strak uitgevlakt
een geurloze kerstroos
naast droevig kaalvertakt
en grillig uitziende bomen

 

Regendruppels huilen
in wijduitgelopen plassen
willen zich in vorst verschuilen
in wit bevroren winterjassen
en sneeuw om blij in weg te dromen


Als de zee zonder getijden

 

Geen deining niet een enkele golf
rustig zonder enige emotie
zonder oorzaak geen gevolg
verbannen van elke notie

 

Stil als een mooie vlakke zee
geruisloos lispelend om beroering
lege vervlogen verlangens
Niets brengt nog in vervoering

 

misschien dat een kleine rimpeling
als jouw handreiking in mijn water
het gevoel van schemering
liefkozend vervaagd in later

 

Bacardi-roos

 

Fluweelzacht vlammend rood
pronkend op een stijlvolle ranke
steel met doorntjes niet groot
scherp op zachte flanke

 

gestoken in een fles fransoos
geledigd in aangename uren
doop ik jou mijn bacardiroos
romantiek die voort mag duren


Raar Ras!!!

Nee ik zal niet klagen
met mijn koninklijke vacht
maar blijf mij steeds afvragen
en zeg dit toch heus zacht

 

Hoe komt het toch dat die malle dieren
Ik bedoel dat kale netenras
zo uit de hoogte tieren
alsof de wereld van hun was?

 

Want van alle dierenrassen
zijn zij toch wel het raarst
al moet ik op mijn woorden passen

Ze zijn foei-lelijk en hebben het 't zwaarst

 

 

 


 

Zwarte Weduwe

Hoe slim die spin
die kleine zwarte
klein maar dapper
en van harte!

 

Nieuwe liefde
mooi begin
Het einde niet
voor de mannenspin

 

een daad vol passie
intens en goed
waarna hij heel snel
rennen moet

 

Want het is over
het is uit
De zwarte maakt hem
tot haar buit!

 


Liever dan lief

 

Lieve kleine pluizenbol
warme kleine poezenpootjes
dreutelkontje draait zich dol
en scheurt papier in kleine mootjes

 

Kleine grote donderboef
met je mooie sterrenoogjes
je staartje hoog in grote toef
en draait om mij met kleine boogjes

 

Lieve kleine pollewol
met je warme volle buikje
ik aai je op je zachte bol
mijn schatje en mijn donderpruikje!

 

 

 


 

De treurwilg huilt niet meer

 

Hij ontwaakte in hemelse sferen
gekleed in maagdelijk wit
zijn tranen waren stil bevroren
hingen als parels in het vroege licht

 

zijn verbaasde blik in het prille glas
in schoonheid trots gebogen
terwijl hij toch dezelfde was
een lach kwam speels naar boven

 

 


 

 

Opsmuk

 

Te dun om het een stam te noemen
verschafte het zichzelf een pruik
verscholen onder al zijn haren
voelde hij zichzelf weer puik


Narcisje

Het narcisje was geel van nijd
omdat het niet kreeg wat het wilde
en ontaardde in gramschap
verwrongen in een stilzwijgen

 

zijn toneel kreeg echter geen gehoor
stil was het veld waarin hij stond
geen publiek geïnteresseerd in hem
zo speelde hij het alleen zichzelf voor