Home » Vers uit de pen

Vers uit de pen


Koren op mijn molen

Ik pik wel eens een graantje mee
en velen maken een brood
maar graan heeft ook zijn zemelen...
soms ben ik als de dood

 

Ik pik wel eens een graantje mee
maar eet het koren vaak te groen
en scheidt het kaf daarvan maar eens
dat is bijna niet te doen

 

Ik pik wel eens een graantje mee
Tja, dat is me wat,
zelfs een blinde kip vindt er wel één
en er is geen koren zonder kaf!

 


Tot de gieren komen….

Begerig naar het mijne
jankt de wolf
zijn tanden bloot
druipt kwijl misnoegd
de lippen hoog
in vals verlangen

 

in zijn blik gevangen
verzwijg ik het mijne
doch begeerte
knijpt zijn ogen niet toe
hij zal pas rusten
tot is het ’t zijne

 

als hij dan dwaas
en dol bezeten
van mij komt vreten
’t jaloers bezit genomen
is het slechts een wachten
tot de gieren komen….

 


Wolf in schaapskledij

Hij zoekt zijn schaapjes
heel secuur
kneedbaar in zijn sluwe poten
lacht hij schijn naar eerlijkheid
in hoffelijke vleierij
fluistert hij zijn zoete noden
doet zijn liefde steels verstillen
in oprechtheid snel verkillen
want zijn kus wekt nog geen doden

 

De leugen maakt hij
tot zijn deugd
legt ze neer als rozenblaadjes
lieve woordjes, mooie praatjes
Zwaar zal wroeging hem niet plagen
want mocht de waarheid toch gaan dagen
jankt hij de onschuld uit zijn jeugd
en doet of hij zich gaat gedragen

 

maar mocht het schaap
zijn geur herkennen
zal zij voor zijn liefde rennen
wetend dat door dit stuk vreten
zij geheid wordt opgegeten!

 


Een golf te hoog

En de golven rolden hoog
opnieuw...
te hoog voor mij
ver boven mij uit
reusachtig en imponerend
en verzwolgen mij

 

Benen hielden niet langer
kolkend en bruisend
briesend en gnuivend
adem ontnemend
in wilde stromen
met bruut geweld meegenomen

 

er viel niets te willen

 

Grauw schreeuwden hun kelen
in schuimende baarden
schreeuw naar je moeder
gil voor je vader
smeek om de liefde
geen komt je halen

 

woest werd ik de diepte
in gezogen
zonder enkel mededogen

Stil vielen mijn woorden
en mijn adem zweeg

 

en morgen fluistert de zee

 


Soms hoeft het even niet

Laat me maar
de stilte luistert niet
en ik lach een echo in de leegte
maar hij ademt niet

De muren troosteloos versteend
kunnen ook niet vluchten
gevangen in mijn wereld
vindt niets zich altijd terug

hij gaapt mijn dromen
en slaapt ze weg
Ik zou geen behang meer moeten willen
dat komt er toch nooit op

en mijn lach sterft weg
als noten nooit op papier gezet…


Laat mij nou gewoon maar schijnen

Ik leef als de zon over duister water
proef de warmte boven meedogenloze kilte uit
schamper begraaf ik onverteerbare brokken
verschans mij niet in bitter kruid

Te vaak ben ik al overwoekerd
begraven en weer opgestaan
verstoten, gehoond en uitgelachen
juist toen nam ik de zon voor waar

Dus denk nu niet
dat ik in zuiver lachen
de ernst en waarheid niet meer zie
Ik verzorg de droefheid naar zijn waarde
maar leef het goud wat ik ook zie


Zie ik nog...

Een woord zwijgt niet
als het liefde spreekt
maar versta ik nog?

Handen zijn niet leeg
als ze strelen
maar voel ik nog?

Ogen glanzen
als zij de ware zien
Ik hoop dat ik niet blind ben

De storm ligt
en de wind waait
in nieuwe vlagen
Ik mag hopen
ik mag vragen
maar hoe helder
of hoe troebel
is mijn zicht


 

Ik jank geen noten tot akkoorden

Ik jank geen noten tot akkoorden
waanzinnig zoekend
naar een nieuwe toon
die maar niet gezet wil worden

Ik neurie vaag
een godvergeten deun
koppig opgedoken
uit een oud partituur
Eigen stuk,
ook al niets van gemaakt

Het zucht meewarig
mijn onkunde in de prullenbak
Weer dat lege blad
met die enkele noot

En mijn stem schreeuwt oud leed
het blad voorbij
geen schim wil nog hechten
vergane geesten
knipogen enkel nog naar mij

En slechts dat ene vel
met die enkele noot
blijft ongeduldig wachten
alsof in barensnood

Maar ik jank geen noten tot akkoorden
maak een prop en gooi t weg


 

Duiveltjes in de nacht

Als het uur slaapt
in een nakend waken
grijnst in wankel evenwicht
te veel verwart om toe te laten
de overgave naar het schemerlicht

Hoe kreunt de jammer in zijn voegen
smeekt genade in bitter zeer
toch geen hand dept hier het bloeden
veegt de tranen van weleer

De gram stommelt in het duister
vergaapt zich in wat is geweest
voelt zich slechts thuis
in een nachtelijk luister
waar onrust zijn eigen zetel heeft

Als de nacht zich laat verdringen
de deken van de waanzin haalt
sluit ik mijn ogen met een zucht
Ik zie de staartjes tussen hun benen
als mijn duiveltjes verdwijnen
voor het helder licht


Verdrink mij

Overspoel mij
haren druipend, sluikend nat
Adem happend
stromend blijven
steeds maar door en
zonder wijken
was mij, spoel mij
week mij zacht

 

hete druppels
naakt verglijdend
rozend bloot
immer verleidend,
verdrink mij
in je warme nat

 


Verlaten

Eenzaam, klein geworden schoonheid
veegt zacht een pril verstilde traan
De leegte lijkt nu zoveel groter
dan in moeizaam samengaan
maar het knakken en het breken
sleep groeven in jouw tere steel
verhard, verstarde zachtheid
geeft niet langer mee

 

kom, ik streel je stille tranen
geef nieuwe aarde
steun je steel
ik koester jou in nieuwe waarde
voel je maar niet meer alleen

 

 


Kip zonder kop

Ik schud de veren
los en rond
mijn kop die heb ik al verloren
Ik kan wel tokken
maar verdomd
geen geluid is er te horen

 

Dus ik loop wat heen
en weer wat weer
van denken ben ik nu verlost
Doe of ik gek ben
wat scheelt het ook
als waanzin me niets kost

 

 


Dichterbij

Stil smelten prille woorden
liefdevol mijn hart weer
stromend, blozend
tot eindeloos bonkend
in nieuw oplaaiend vuur


Spannend tot in diepste vezels
voel ik, leef ik, beef ik
in al mijn kwetsbaarheid
dichterbij jou

 


Nu al knaagt mijn verlangen

Het grauw dreigt weer door de straten
verjaagt zijn smetteloos blazoen
waar hij de schijn niet meer wil dragen
huilt hij vol wroeging plassen vol

 

En ik glibber in zijn schuldvraag
verlang weer naar de schone schijn
Ach, laat heel de wereld
toch gewoon een prachtig sprookje zijn!

 

 


Leef in vervoering

De wind voert mijn haren
naar de lente van mijn ziel
neemt mijn adem
en zucht hem voor me uit
Leef, fluistert hij in milde vlagen

Zacht hemelwater druppelt
gestaag kusjes op mijn huid
en veegt in natte sporen
alle maren en mitsen uit
Leef lief, spettert het vrolijk in het rond

en ik laat mijn liefde varen
op de noten van de wind
dans op de gure vlagen
als hij wild mijn lijf bemint
en ik tot in de wortels van mijn haren
in volle overtuiging leef en zing!

 


Adem licht

Als het kruipt waar het gaan wil
en jij er stiekem achteraan
Je weet niet of je het wilt vinden
en er stil wilt blijven staan
Huppel, dartel in de velden
denk niet, draal niet
voel en zie

Gedwaal, gedwarrel en gemompel,
dat plet het gras en verder niet
Sluip over mossen, streel de varens
steel de druppels van het blad
laat je voetsporen op paden
waar je verder niets te zoeken had
en adem licht je pad vooruit

 


Verstil mij

Zoekend, grijpend en tastend
in ritmes en noten,
waar gevoelens, verlangens,
angsten en noden
vaste grond zoeken

Woorden zetten schreden
in de juiste aarde uit
Verstillend en verkoelend,
vertellend en delend,
werkt het rustgevend helend

Graaf mij onder in decibellen,
vang mij in waanzinnig gek
Sleep mij mee in losgeslagen gekweel
tot ik totaal murw geslagen
eindig in een woordeloze stilte

de onrust weer voorbij

 


Het principe van wringen

Het wringt belangen om elkaar.
Wat wil ik, wat hij of zij,
zo niet wij, of jullie,
wie wint of wat ervan vindt.

Een lieve glimlach,
een ferme handdruk
doch ook pootje lichten,
zo niet vals geschut.
Alles wat maar nodig lijkt.

En wie niet meedoet,
eindigt uitgewrongen
als een versleten vaatdoek
achter het afwasteiltje
in de keukenkast.

Dus wringen
of uitgewrongen worden!

Het principe van wringen – deel 2

En daar lag ze,
uitgewrongen en opgedroogd,
achter het teiltje in de keukenkast.
Het vreet ziekmakende kiemen
in een miskend zijn.
Door haarzelf?
Zo ook haar omgeving?
Had zij rechtop,
het sop van zich af moeten slaan?
Van nature lag zij rustig
op het aanrechtblad,
of werd zij opgenomen
en jawel, gebruikt,
om restjes te schonen.
Wilde zij niet langer die vaatdoek zijn,
of vond zij het wel best.


Nu ligt ze daar,
nutteloos doch rustig.
Niemand doet haar nog wat.

 

 

 


 

Mijn zachtheid is niet naïef

Ik ben niet van de wereld
en de wereld is niet van mij.
Dat eigendomsrecht, dat is er niet.
Het regent zaadjes eigenbelang
en we leren het al snel,
opkomen voor eigen ik
en dat moet ook wel.

 

Maar laat mij het verlangen,
wel voor een ander op te staan.
Te geven puur uit liefde,
mezelf soms eens voorbij te gaan.
Grauw niet op mijn zachtheid,
ik verlang er niets voor terug.
Ik ken de harde wereld wel
een oordeel komt zo vlug.

 

Ik geef niet om te krijgen,
die illusie is al dood.
Mijn ogen staan wijd open
en al stormt het,
beukt het met geweld tegen mijn hart,
ik weet het en ik voel het,
ik ga er echt niet aan voorbij.
Maar ik houd mij overeind,
juist door wel eens lief te zijn.

 


Alles beter dan bevroren…

Doof voor het woord
wat verlangend spreekt en
door twijfel in angstzweet breekt
zwijgt mijn huis
in lege kamers
verblinde ramen
en gesloten deuren
het dak vertrouwt de ruimtes niet meer
muren voelen kil in verloren stilte

 

De kat spint nog in genoegen
er hangt hoop achter het gordijn
steen voor steen sloop
ik angstvallig om te breken
mijn muren van verweer
en hoewel ik bang ben
mij te branden
stel ik mij open
voor een nieuwe bron van warmte

 

en mocht het fout gaan….

 

ben ik liever vurig verbrand
dan ijskoud bevroren

 

 


Bevroren voeten

 

En toen regende het
hagelstenen dwars door mijn hart
de kamer in en het raam weer uit
de deur ging open en wilde niet meer dicht
voetstappen in de gang
die nooit meer verder kwamen

 

De kamer bleef leeg
in de stilte van het kabaal
van kletterende ijsballen
bevroren ongerief
voor ontdane voeten


en het huis zweeg
zijn weg naar buiten

 


Verdeel en heers

 

Schaap of wolf…
Ach, hij bepaalt
jongleert in dure kleren
ontneemt je graag de wol
voor alle rijke heren
Hij vangt geen wind
dat laat hij doen

 

Hij betaalt en heerst
slaafs volgen de schapen
het hek iets te hoog
de sloten net niet droog
genoeg om hem te plezieren
het zijn slechts kuddedieren

 

Het eigen ik
moest meer opzij
zo hoorde ik hem
laatst oreren
U bent er voor de wei
zodat hij beter kan floreren!

 

 


Hoeveel hij haar mist…

 

De vaat loopt de week vooruit
gestapeld in luie kratten
vol lege bierflesjes en
vergeelde gedateerde kranten

 

De bloemen in de vaas
rouwen halfstok
Geen kip huist hier nog
terwijl er toch genoeg te eten ligt

 

De kattenbak veegt
kleikorrels naar buiten
De bezem houdt winterslaap

 

Voeten stommelen kruimels
onder het tapijt
en verdwijnen ontstemd
over zoveel nalatigheid

 

waarom ging ze toch weg
dat klerewijf!

 


Niet gezien...
 

Het grijpt geen drol
in een pot die leeg is
al verwachten ze hem elke keer te vinden
De hond naast de mand
kom ik stilletjes
vanachter het behang geschoven

 

Weer niet gevonden

 

In het duister
kun je geen ogen lezen
zwart verbergt het licht
verzwijgt mij

 

Een lege koffer
want bagage wil ik niet delen
Te zwaar voor de weegschaal
laat ik mij in het luchtledige
bedekken door de nacht

 

Weer niet gevonden

 


Vampier des tijds

Hij liet zijn sporen
gulzig en bloeddorstig
scherpe tanden in ribbelend vlees
zonder aarzeling
nimmer latend
zuigend in verlangens
tot lamgeslagen en losgelaten
vastgebeten in dromen
tot volledig ontnomen
bij immer verliezend verzet
en hij nam de tijd….

 

vormend en knedend
roerend in de ziel
frustrerend doch sterkend
kwam zijn spiegeling
soms bedrogen uit
zwartgallig elixer voor de ziel
en kennelijk moest het zo zijn
doch zonder duister
zou het licht minder floreren
elk lichtpunt kan het donker keren

 


Een kwestie van smaak

Het vreet geen zoet
in een zure bek
waar bitter eerder
om de hoek komt kijken

 

het grijpt geen parels
uit waterdruppels
waar zwijnen enkel
uit hebzucht kwijlen

 

het siert geen grauw
op een rozenbloesem
die enkel zacht
uit liefde ademt

 

laat dus het grauw
de parels en de zwijnen
de liefde en het zoet
maar ook de zure bek

 

zij vinden hun genoegen
altijd op de juiste plek

 


Pokerface in opspraak

Ik voel de kregel in mijn vingernagels
tot in de wortels van mijn haren
tintelt het in boos venijn
mijn rust zal ik nog steeds bewaren

 

maar het ploft in wolkjes uit mijn oren
gnuift door elk zuchtje van mijn adem heen
mijn ergernis is zwaar beladen
en waar moet ik er nu mee heen?

 

mijn lach nog immer om mijn lippen
toont geen stukje razernij
geen pokerface kan aan mij tippen
van binnen dondert het in mij

 

toch gaat het niet heel lang meer duren
ik zoek dus maar een stille plek
want anders zal het hem bezuren
als ik straks mijn jas uittrek

 


Als een vlinder

 

Ik adem licht een sprankje hoop

en zweef mijn droom

op ijle vleugels

zacht zing ik

het lied van mijn hart

en het is goed zo

 


Leeg en verder niets….

 

het greep mij in een vreemde leegte

voorbij mijn frustraties

en ik begreep het niet

 

angst noch blijheid nam deel

en het verwarde mij te veel

als een cocon maar ook juist weer niet

niet groot niet klein

als ademen in een niets

van eeuwig zijn

en ik begreep het niet

 

het greep mij in een doodse leegte

doch macaber was het niet

geen Hein die er kwam kijken

het was en verder niet

en ik begreep het niet

 

misschien hoefde dat ook niet…

 


Vooral niet bewegen

 

Geen druppel echoot op het water

de wind slaapt de bladeren geluidloos

waar stilte onrust bedekt met

rimpelloos en spiegelglad

 

het oogt sereen

een soort vredig verzaken

van werkelijkheid

en ik drijf in vervoering mee

bang om mij te bewegen

 


Zijn ware gezicht…

 

Het liegt geen verlangen
als het hart blijft spreken
doch daden zwijgen
omdat het zinloos is

 

gevoel breekt niet
als de kater nog
ontnuchteren moet
nadat de ware aard verscheen

 

maar het slijt wel
in de wetenschap
van een op tijd ontsprongen dans

 

doch weemoed blijft om een droom
al had hij nooit kunnen zijn

 


Koestering

 

Het spotlicht wenkte dichterbij
omarmde in stille luistering
ontroerend als een warme fluistering
en bood zijn ruimte
al koesterend

 

en ik zong
warme zomertranen
al jubelend
brak mijn hart open
liet mijn liefde stromen

 

nog voel ik
de streling van het publiek
een liefdevolle omarming
die ik bij mij blijf dragen
als kostbare schat

 

zo dankbaar!

 

 



De roze wolk

het golft emoties waar illusie heerst
zaligmakend is de droom
waar tijd noch rede leeft
en waarheid beeft op luide toon

 

daar wordt mijn hart gegrepen
in ongekende passie
gedreven tot volslagen gek
in waanzin reeds verloren
zoek ik gillend naar een uitweg

 

het wordt weer scherven ruimen
als de illusie barst


Harmonie

 

Geruisloos wateren mijn verlangens

naar sereen golven vrij

kalm ademt de eerst zo woelige deining

waar zijn zware tirades afgemat

en koel bezworen

nog slechts op veilige afstand

verlaten sputteren

tot het vrede vindt

 

vrolijk spetteren zij rond mijn vingers

op armlengte bij mij vandaan

mijn hart luistert ademloos

maar jubelt naar de zon

die in een schittering van kleuren

in mijn druppels verschijnt

in harmonie met wat is en komen mag

stroom ik liefdevol naar open water

 


Toegedekt

 

Ik sleep mijn verlangens

naar het wolkendek

leg ze te ruste

waar ik ze liefdevol bedek

 

slaap zacht in zoete dromen

sluimerend op mij gericht

mocht je werkelijk tot mij komen

dan weet ik dat ik voor je zwicht

 

Niets klinkt mooier dan vandaag

waar het spoor van een late morgen

druppelend in de zon opgaat

mijn hart in klank en kleur verzorgen

 



Goede morgen

Mijn toegevallen dromen
kraken tussen de lakens
voegen zich tussen richels
van mijn matras
om nog niet tot de dag
te komen

 

de kruimels
van zijn schoonheid
neem ik in de hand
als vader van mijn gedachten
Terwijl de koffie loopt
jubelt reeds de horizon

 


Spannend, openbarend en vernietigend  - de liefde

 

Haar tengels omklemmen je

in haar warme zindering

omlijsten je met een zwoel verlangen

voeren je mee in verwondering en hoop

 

glimt er geluk dan overspoelt ze je

in huizenhoge golven tot

opzwepend gillende extases

verzwelgend en zaligmakend

 

tevreden en verzadigd

kabbelt ze dan weer rustig voort

onrust neemt af

in vertrouwen dat het altijd daar is

 

doch in zware wateren

is ze alles verterend

beukt genadeloos op de kliffen af

tot het uit elkaar spat en vernietigend zwijgt

 

 


Onzeker

In mijn hoofd
duizelen wolken van gevoel
als stoom komen zij uit mijn oren
om zich daarna rond gedacht
en afgemat in een stilzwijgen
te nestelen in mijn buik
het onderbuik gevoel

ik weet het niet en hoe kan ik ook

 

koffiedik kijken in het hoofd
is een onmogelijke taak
misschien is het zaak
niet te willen weten van te voren

 

 


Wat als….

als ik de deur dan sluit
en mijn stappen leeg en doelloos
in onwetendheid zal zetten
slechts een gitaar en wat schamele centen
een pen en wat vergeeld papier
en mij enkel in mezelf opsluit

 

als ik dan alles in stilte verlaat
mijn mobiel als eeuwige zwijger
de wind mijn verteller
de hemel mijn bed
zou ik dan mijn eigen weg
weer vinden?

 

ontdaan van alles zouden
hoop en verwachting dan ook
hun biezen pakken?
zou ik de zin van het nu weer zien
en het lot in warme harmonie verbinden?

 

 


dan zing ik met je mee...

zing lief, kom
zing je stil verworden tranen
tot ze dansen gaan
grijp uit in volle halen
tot ze uitgesnikt en moe
morgen vergeten op te staan

 

zing lief, kom
zing je twijfels en je zorgen
woord voor woord
en noot voor noot
tot niet langer meer verborgen
je bevrijdt voelt uit de nood

 

zing lief, kom
zing je lied maar in mijn armen
als je even niet meer durft
je mag schuilen en je warmen

 

kom lief, zing
huil of schreeuw
in het duister van je tranen
zing ik zachtjes met je mee...